|
|
Waar de fascinatie van de Nederlander voor het zingen precies
vandaan komt, is niet helemaal duidelijk. Feit is dat de
koordichtheid in ons land opvallend groot is. Eigenlijk al
vanaf het einde van de negentiende eeuw, toen vele grote
zangverenigingen werden opgericht, de opmaat tot een inmiddels
ijzersterke Nederlandse koortraditie.
Bij de Vereniging van Nederlandse Korenorganisaties zijn
momenteel zo'n 8200 koren aangesloten, samen goed voor 280.000
zangers en zangeressen. Dat zijn de officiële cijfers. Vermoed
wordt dat de ongebonden zangclubs die cijfers minstens
verdubbelen. En de groei is er nog lang niet uit; het aantal
nieuwe zangverenigingen is veel groter dan het aantal koren
dat zich - meestal gedwongen door de vergrijzing - durft op te
heffen. En al die koren hebben dirigenten nodig. Het liefst
goede en niet al te dure. De statistieken van de vacaturebank
van Unisono, het landelijke steunpunt voor de amateurmuziek,
maken duidelijk dat steeds meer koren op zoek zijn naar een
dirigent: van 115 in 1996 naar 550 in 2002.
Het Arnhems Slavisch Koor is er een van. Woordvoerder L. van
der Ark: ,,Midden 2004 hebben we een nieuwe dirigent nodig.
Omdat we weten hoe moeilijk het is de juiste man of vrouw te
vinden, zijn we afgelopen zomer al begonnen. Maar we hebben
nog niemand. We hebben wel contacten gehad met
geïnteresseerden, maar er kwam steeds wel weer iets tussen. De
goeden hebben al veel koren, die kunnen vaak niet op onze
vaste repetitieavond. Of ze wonen te ver weg. Of ze zijn
domweg te duur.''
Beste koren kiezen
Dat laatste is een vaak genoemd probleem. Koordirigenten
worden in Nederland in de eerste plaats opgeleid aan het
conservatorium. Maar het aantal afgestudeerden (jaarlijks rond
de tien) is allesbehalve in overeenstemming met de vraag van
de markt, die eerder groeit dan slinkt. De gediplomeerde
dirigenten hebben daardoor de koren voor het uitzoeken. Ze
kiezen dan al snel voor de betere kamerkoren, met vaak
geschoolde zangers en zangeressen die bovendien bereid zijn te
betalen voor de kwaliteit van de muzikaal leider. De vele
pop-, close harmony- en andere lichte-muziekkoren (momenteel
veruit de populairste vormen van samen zingen) vissen zo
achter het net.
Joop Schets, dirigent van onder meer Toonkunst Arnhem en het
Bachkoor Apeldoorn, herkent het beeld. Als oprichter van het
inmiddels rijkserkende Instituut Dirigenten Educatie (IDE) in
Gorinchem merkt hij dat conservatoria weliswaar goede
dirigenten afleveren, maar te weinig. Bovendien missen ze
volgens hem de aansluiting bij wat de praktijk vraagt. ,,Die
mensen komen allemaal terecht bij de betere kamerkoren. Het
koor Onderling Genot van om de hoek, daar zul je ze niet voor
zien staan. Waarmee ze wat mij betreft de basis onder hun
beroep wegslaan.''
,,Overigens gaat het geschetste beeld niet op voor de als
schoolmusicus (muziekdocent) afgestudeerde mensen; die gaan
vaak met veel enthousiasme bij de wat minder ambitieuze koren
aan de slag. Probleem daarbij is dat die het dirigeren vaak zo
leuk gaan vinden, dat ze na een half jaar alsnog op zoek gaan
naar een beter koor.''
Volgens Rob Vermeulen, dirigent van onder meer koren in
Nijmegen, Doetinchem en Wageningen en docent aan de
conservatoria in Arnhem en Utrecht, valt het met de kloof
tussen de afgestudeerden en 'het veld' wel mee: ,,Ik heb nu
een paar studenten die ik straks best wel voor popkoren zie
staan. Het werkelijke probleem is dat de opleiding niet
populair is. Waarom? Omdat je van dirigeren alleen niet kunt
leven. Vroeger was het heel normaal om tegelijkertijd twee
opleidingen te doen, bijvoorbeeld zang en koordirectie.
Tegenwoordig kan dat niet meer, de conservatoria vinden het te
duur. Dan valt het op termijn weinig lucratieve dirigeren al
snel af.''
Volgens Joop Schets is het verschil tussen de vraag naar en
het aanbod van koordirigenten voor een deel ook de schuld van
de koren zelf: ,,Besturen weten vaak niet wat voor dirigent ze
precies willen. Ze zijn vaak al blij als ze er een aan de haak
slaan die niet al te ver weg woont en op de vaste avond
beschikbaar is. Na een half jaar blijkt er dan vaak geen
chemie te zijn en moet er opeens weer een ander komen. Zo
krijg je nooit rust in de sector.''
Ook directeur Jeroen Schrijner van amateur-muziekinstelling
Unisono legt de verantwoordelijkheid deels bij de koren zelf.
,,Wat we veel zien, is dat in een dorp zowel het gemengde koor
als het mannenkoor een zieltogend bestaan leidt. Dan zeg ik:
onderzoek een fusie, probeer de boel gezamenlijk op de rails
te krijgen. Met een nieuwe dirigent, met nieuw elan. Maar te
vaak staat de traditie zo'n ontwikkeling in de weg.''
Net als het Gorinchemse instituut van Joop Schets probeert
Unisono de kloof tussen beroepsopleiding en praktijk te
overbruggen. Jaarlijks organiseert de instelling verschillende
cursussen, waaronder de Kurt Thomas Cursus, een intensieve
praktijkopleiding voor zowel beginnende als gevorderde
koordirigenten. Ook heeft Unisono een Meerjarige
Dirigentenopleiding (MDO) in het pakket, onder meer gericht op
koorzangers die het in zich hebben zich te laten scholen tot
dirigent van een amateur-koor.
Directeur Schrijner: ,,Met name de MDO is succesvol. Jaarlijks
studeren daar op conservatoriumniveau zo'n zeventig mensen af
die, zo is uit onderzoek gebleken, terechtkomen bij gemiddeld
twee amateur-koren. Een oplossing voor het probleem als geheel
is het natuurlijk niet, maar het helpt wel mee.''
De komende jaren richt Unisono zich vooral op de sectoren waar
de problemen het grootst zijn: de pop- en kinderkoren.
Schrijner: ,,De popkoren schieten als paddestoelen uit de
grond, maar veel gespecialiseerde dirigenten zijn er niet.
Daar moeten we onze programma's beter op afstemmen. En de
betaling door kinderkoren is abominabel, dus die zijn
oninteressant voor dirigenten. We gaan proberen die situatie
te verbeteren door het opzetten van lokale steunpunten, in
samenwerking dus met gemeenten.''
Uit: Nederlands Dagblad 9.1.2004 - door Tom Ruijfrok |
|